Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 1998-05-07
ECLI:NL:CBB:1998:ZG1086
College van Beroep voor het bedrijfsleven No. 96/0774/127/002 7 mei 1998 Uitspraak in de zaak van: A, wonende te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gegeven op 3 juni 1996, onder nummer 596/95.27. 1. Het verloop van de procedure Bij brief, verzonden op 4 juni 1996, is aan appellant afschrift verzonden van de in de aanhef van deze uitspraak vermelde beslissing, die werd gegeven op klacht van Beta Consultants B.V. te Zeist (hierna: klaagster). De klacht had betrekking op A RA, registeraccountant te B (hierna: appellant). Bij een op 5 augustus 1996 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep ingesteld. De raad van tucht heeft op 13 augustus 1996 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College. Klaagster heeft op 16 september 1996 het College een verweerschrift doen toekomen. Bij brief, ingekomen ter griffie op 24 juni 1997, heeft appellant het College meegedeeld dat klaagster haar klacht, evenals het verweer tegen het ingediende beroepschrift wenst in te trekken, waarmee appellant kan instemmen. Op grond hiervan hebben partijen het College verzocht de uitspraak van de raad van tucht te vernietigen. Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 12 februari 1998, waarbij partijen bij gemachtigden, appellant bij monde van prof. mr H. Beckman, advocaat te Amsterdam en klaagster bij monde van mr E.M. van Zelm, advocaat te Utrecht, zijn verschenen en hun standpunt hebben toegelicht. 2. De grondslag van het geschil Artikel 25 van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants, zoals die golden ten tijde hier van belang (hierna: GBR (oud)), luidde: "1. De registeraccountant die pleegt op te treden als openbaar accountant vervult generlei functie die geacht kan worden de onpartijdigheid van zijn oordeel of van het oordeel van degene met wie hij onder gemeenschappe-lijke naam optreedt, dan wel zijn onafhankelijkheid of de onafhankelijkheid van de degene met wie hij onder gemeenschappelijke naam optreedt, in gevaar te brengen. 2. De registeraccountant die tevens in een andere functie dan die van openbaar accountant optreedt, is gehouden zijn uitingen in die andere functie zodanig in te richten dat voor een ieder duidelijk is dat deze niet in de openbare accountantsfunctie zijn gedaan." Bij de beoordeling van het beroep gaat het College uit van de feiten, zoals weergegeven in de bestreden tuchtbeslissing die aan deze uitspraak is gehecht, met uitzondering van de onder punt 1 vermelde datum van 1 april 1994 als de datum tot welke betrokkene heeft deel uitgemaakt van de maatschap Deloitte & Touche. 3. De bestreden tuchtbeslissing Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast geldt, is de klacht gegrond verklaard. 4. De grieven van appellant In zijn beroepschrift heeft appellant de volgende grieven tegen de beslissing van de raad van tucht van 3 juni 1996 aangevoerd. 4.1 Anders dan de raad van tucht in de rubriek "vaststaande feiten" heeft vermeld, heeft betrokkene slechts tot 1 april 1993 - en niet tot 1 april 1994 - deel uitgemaakt van de maatschap Deloitte en Touche. 4.2 Ten onrechte heeft de raad van tucht klaagster ontvankelijk geacht in haar klacht. De overweging van de raad van tucht dat klaagster een kwestie aan de orde stelt die voor het functioneren van de gehele beroepsgroep van belang geoordeeld kan worden, kan niet de conclusie dragen dat klaagster ontvankelijk is in haar klacht. Aangenomen moet worden dat een klager enig belang moet hebben bij zijn klacht. Het door klaagster gestelde handelen van appellant heeft haar geen schade toegebracht en ook overigens is het belang van klaagster in het geheel niet betrokken bij dat handelen. Zo aan klaagster al enig klachtrecht kon toekomen had zij niettemin niet-ontvankelijk m Deze tuchtrechtspraak strekt niet uitsluitend tot bescherming van privébelangen van klagers; zij dient ook het openbaar belang. In overeenstemming hiermede kan de raad van tucht ingevolge het bepaalde in artikel 40 van de Wet een tegen een registeraccountant gerezen bezwaar niet alleen in behandeling nemen op een bij de raad van tucht ingediende klacht maar ook op verzoek van het bestuur of ambtshalve. De raad van tucht is gehouden over een naar aanleiding van een klacht gerezen bezwaar - indien de klacht ontvankelijk is - een beslissing te nemen. Zolang door de raad van tucht op een klacht niet is beslist, kan deze worden inge-trokken. In zodanig geval heeft de raad van tucht op grond van artikel 40 van de Wet in overeenstemming met boven vermelde doelstelling van de Wet en met name ter bescherming van het hierbij betrokken openbaar belang de mogelijkheid om ambtshalve een rechterlijk oordeel te geven op een hem in een klachtprocedure gebleken bezwaar. Blijft intrekking van de klacht hangende de behandeling ervan achterwege, dan wordt de klacht afgedaan bij uitspraak van de raad van tucht. Artikel 52 van de Wet bevat naar het oordeel van het College een limitatieve opsomming van de rechtsmiddelen die tegen een op grond van de Wet gegeven rechterlijk oordeel kunnen worden aangewend. In geval van aantasting van zodanig rechterlijk oordeel op buiten de Wet genoemde gronden wordt het gezag van dit oordeel immers op onaanvaardbare wijze aangetast. Tot die rechtsmiddelen behoort uiteraard niet het intrekken van de klacht. In artikel 54g van de Wet is dan ook bepaald dat vernietiging van een uitspraak van de raad van tucht eerst mogelijk is, indien het College het beroep gegrond verklaart. Gegrondverklaring kan alleen plaats vinden naar aanleiding van een in de Wet vermeld rechtsmiddel. Om tot gegrondverklaring te komen dienen de aangevoerde grieven te worden beoordeeld. Bovendien wordt in de door appellant bepleite constructie aan de raad van tucht de mogelijkheid onthouden om in geval van intrekking van een klacht ambtshalve een oordeel te geven over een tegen een registeraccountant in een klachtprocedure gerezen bezwaar. In hoger beroep komt het College deze bevoegdheid niet toe nu artikel 40 van de Wet niet van overeenkomstige toepassing is op het rechtsgeding voor het College. Aldus zou het openbaar belang te kort kunnen worden gedaan. Ook hierom kan de door appellant bepleite constructie niet als rechtens juist worden aangemerkt. Het vorenstaande voert het College op dit punt tot de slotsom dat in het wettelijk systeem de klacht een verzoek is om een uitspraak te doen, welk verzoek met het geven van het rechterlijk oordeel is uitgewerkt, zodat aan intrekking nadien van de klacht geen gevolgen zijn te verbinden voor de rechtskracht van het gegeven oordeel. Het door appellant gedane verzoek om de uitspraak van de raad van tucht te vernietigen onder achterwegelating van verdere behandeling van het beroep is derhalve als in strijd met de wet niet voor toewijzing vatbaar. Intrekking van het verweerschrift in hoger beroep heeft, gelet op het hiervoor overwogene, slechts tot gevolg dat klaagster het gestelde in hoger beroep niet langer bestrijdt. 5.2 Op grond van hetgeen door partijen ter zitting over en weer is gesteld, gaat het College er, anders dan de raad van tucht van uit dat appellant tot 1 april 1993 deel heeft uitgemaakt van de maatschap Deloitte & Touche. Op de onder 5.4 vermelde grond, ziet het College in deze wijziging van de feitenvaststelling evenwel geen reden om af te doen aan het door de raad van tucht uitgesproken oordeel. 5.3 Zoals het College reeds eerder heeft overwogen (CBb nrs. 95/0928/126/002 en 95/1357/088/002) vereist de Wet voor het indienen van een klacht niet dat klaagster een rechtstreeks bij de klacht betrokken belang heeft, laat staan dat zij schade moet hebben geleden. In hetgeen door partijen over en weer is aangevoerd, ziet het College onvoldoende grond voor het oordeel d