Rechtspraak College van Beroep voor het bedrijfsleven 1998-12-18
ECLI:NL:CBB:1998:AA3434
Uitspraak: College van Beroep voor het bedrijfsleven No. AWB 97/1144 18 december 1998 A te B, appellant, gemachtigde: mr S. Borger, tegen de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder, gemachtigde: mr M. Nagel. 1. Het verloop van de procedure Op 16 september 1997 heeft het College een namens appellant ingediend beroepschrift ontvangen waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder. Bestreden wordt verweerders besluit van 15 augustus 1997 waarbij het bezwaar van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om toekenning van een schadevergoeding ongegrond is verklaard. Verweerder heeft op 16 oktober 1997 een verweerschrift ingediend. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 november 1998. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunt nader doen toelichten. 2. Vaststaande feiten Op grond van de gedingstukken en het onderzoek ter zitting zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan. - Met gebruikmaking van een daartoe bestemd, op 14 oktober 1991 door verweerder ontvangen formulier, heeft appellant bij verweerder een aanvraag ingediend ter verkrijging van een bijzondere heffingvrije hoeveelheid (melk) op grond van artikel 7 van de Beschikking superheffing zure boerderijzuivelprodukten (hierna: de BZB). Daarbij gaf hij op investeringsverplichtingen te zijn aangegaan ten behoeve van de uitbreiding van het aantal standplaatsen voor melk- en kalfkoeien en in de periode van 12 maanden daaraan voorafgaand een rechtstreekse verkoop van 36.600 kg melkequivalent te hebben gerealiseerd. - Bij besluit van 29 april 1992 is deze aanvraag namens verweerder afgewezen. Die afwijzing is als volgt gemotiveerd: "Uw aanvraag is afgewezen door U niet wordt voldaan aan het in artikel 7, tweede lid, onderdeel b en artikel 8 van de beschikking gestelde. In artikel 7, tweede lid, onderdeel b is bepaald dat indien de producent is begonnen met de rechtstreekse verkoop en/of levering na 1983 doch voor 1990 de bijzondere hoeveelheid wordt berekend aan de hand van de rechtstreekse verkoop en/of levering, die de producent heeft gerealiseerd in de periode van 12 maanden. Deze periode is voorafgaand aan het aangaan van de investeringsverplichtingen. De bijzondere hoeveelheid wordt vermeerderd met een hoeveelheid berekend volgens een daartoe strekkende formule. U heeft op uw aanvraag niet opgegeven en aangetoond welke hoeveelheden U zelf in de betreffende periode (oktober 1988 - september 1989) heeft geleverd, maar de hoeveelheden die uw rechtsvoorganger (vader) heeft geleverd. U heeft namelijk blijkens bijgevoegde transportakte het gehele bedrijf op 30 oktober 1989 overgenomen van uw vader. In artikel 8 is bepaald dat de producent, welke een geheel bedrijf heeft overgenomen na 1983, een verzoek kan indienen om bij toekenning van een hoeveelheid heffingvrij te leveren zure boerderijzuivelprodukten uit te gaan van de hoeveelheid die de rechtsvoorganger heeft geleverd in een artikel 4, eerste lid genoemde periode (1981, cq. 1983, met toegestane afwijkingen hiervan), danwel in 1990. Aangezien U het bedrijf heeft overgenomen voor 1990 komt laatst genoemde periode niet in aanmerking. Aangezien de rechtsvoorganger is begonnen met de leveranties na 1983 komen ook de periodes, zoals genoemd in artikel 4, eerste lid niet in aanmerking." - Tegen het besluit van 29 april 1992 heeft appellant bij verweerder een bezwaarschrift ingediend. Daarin heeft hij het volgende aangevoerd: "De afwijzing is gebaseerd op de stelling dat niet ondergetekende, maar zijn vader, C, heeft geleverd. Van levering door een ander is echter geen sprake. Tot november 1989 was er sprake van een veehouderijbedrijf dat in maatschapsverband werd uitgeoefend: maatschap A en C. Per 1 november 1989 is dat maatschap C en A geworden. Ondergetekende heeft dus als maat van de maatschap A en C aangevraagd voor het bedrijf. Reeds in 1987 is het bedrijf gestart met de produktie en aflevering van zure zuivelprodukten. Ik merk in dit verband overigens nog op dat de bezwaarfase dient te worden aangemerkt als onderdeel van de primaire besluitvorming. Immers indien een aanvrager bezwaar maakt tegen een beslissing van een bestuursorgaan is het bestuursorgaan gehouden het gehele beslistraject opnieuw te doorlopen teneinde te onderzoeken of het primaire besluit in stand kan blijven. Komt het bestuursorgaan tot de conclusie dat het primaire besluit niet in stand kan blijven, dan komt de beslissing op bezwaar in de plaats van het primaire besluit. Een herzien besluit hoeft, mede gelet op het karakter van de verlengde besluitvorming van de bezwaarschriftenprocedure niet te betekenen dat het primaire besluit onrechtmatig is (zo ook: Parlementaire Geschiedenis AWB II, P.487-499)." 4. Het standpunt van appellant Appellant heeft het in zijn beroepschrift uiteengezette standpunt als volgt samengevat: "1.De afwijzing van de aanvraag is tot stand gekomen door het Ministerie van Landbouw op basis van veronderstellingen welke niet waren geënt op strikte feiten. 2. Aanvrager heeft op geen enkele wijze bij zijn aanvraag van 14 oktober 1991 verzuimd om noodzakelijke informatie te geven dan wel is in gebreke gebleven door onjuiste informatie te verstrekken. 3. Het Ministerie van Landbouw had op grond van de feitelijke gegevens, zoals die bij haar (DBH/Meitellinggegevens), dan wel bij het COS geregistreerd stonden, alsmede op grond van de aanvraag, wel degelijk direct tot een positieve beslissing kunnen komen. 4. De termijn tussen aanvraag en uiteindelijke toewijzing is onevenredig lang geweest en heeft aanvrager in zijn belangen geschaad. 5. De rechtsgronden zijn aangetoond op grond waarvan het verweer van verweerder dient te falen met betrekking tot diens strekking inzake het genomen primaire besluit. CONCLUSIE a. Niet gesteld kan worden, gelet op hetgeen als feitelijk is aangedragen, dat op terechte gronden door het Ministerie van Landbouw negatief beslist moest worden op de aanvraag. b. Niet gesteld kan worden dat er sprake was van onvolkomenheden ten aanzien van de aanvraag daar nadien door het Ministerie werd toegegeven dat de maatschap producent was voor de zuivel en dat er geen sprake was van leverantie door de vader van aanvrager. c. Niet gesteld kan worden dat er sprake was van onvoldoende informatieverstrekking door aanvrager gelet op het feit dat in de afwijzing daar niet naar werd verwezen dan wel dat de aanvraag niet niet-ontvankelijk is verklaard. Aldus is volgens aanvrager het primaire besluit onrechtmatig genomen, gelet op de gegevens waarover het Ministerie beschikte dan wel kon beschikken; het geldende rechtsregiem alsmede de bij de aanvraag overlegde gegevens. De bezwaren van A inzake de weigering van het Ministerie van 12 februari 1997 om een schadevergoeding toe te kennen dienen dus als gegrond beschouwd te worden." 5. Beoordeling Verweerder stelt zich op het standpunt dat hij niet gehouden is tot vergoeding van schade, geleden tengevolge van een door hem op een aanvraag genomen besluit, indien het aan een onjuistheid of onvolledigheid in de door de aanvrager verstrekte gegevens te wijten is dat niet anders op de aanvraag is beslist. Het College onderschrijft dit standpunt. Derhalve dient hierna te worden onderzocht of de aanvankelijke afwijzing van de door appellant in oktober 1991 ingediende aanvraag op grond van artikel 7 van de BZB, is toe te schrijven aan een oorzaak als hiervoor bedoeld. Vaststaat dat appellant deze aanvraag heeft ingediend op eigen naam en zonder te laten blijken dat hij een heffingvrije hoeveelheid aanvroeg ten behoeve van de maatschap, welke door hem werd gevormd met zijn vader. Eveneens staat vast dat met betrekking tot de hoeveelheid melkequivalent die volgens de aanvraag was verkocht in de periode van 12 maanden voorafgaande aan het aangaan van de investeringsverplichtingen, appellant in eigen persoon niet als de producent kon gelden; die hoedanigheid kwam toe aan de maatschap C en A. Uitgaande van die gegevens h